14 jul 2009 |
|
De Bigband heeft de volgende bezetting Concertfluit: De Concert- of Dwars fluit - in een klassiek orkest gewoon fluit genoemd - is een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt; de luchtstroom uit de mond staat haaks op de boring van het instrument. De kleinere en hoger gestemde uitvoering wordt piccolo genoemd, de grotere uitvoeringen altfluit en basfluit. De moderne dwarsfluit, tegenwoordig meestal van metaal, is door Theobald Böhm ontwikkeld uit de traverso (barokfluit) die meestal van hout was. Böhm ontwierp een kleppensysteem waardoor het mogelijk is om met 10 vingers volledig chromatisch te kunnen spelen. Dit kleppensysteem (Böhm-systeem) is later (ten dele) overgenomen voor de hobo en de klarinet. Ook wijzigde hij de boring van de fluit: het kopstuk van de Böhmfluit is conisch en niet cilindrisch zoals bij de traverso, terwijl het corpus juist cilindrisch is, in tegenstelling tot het conische (taps toelopende) corpus van de traverso. De moderne piccolo heeft overigens nog wel de "oude" boring zoals de traverso die had. Een dwarsfluit bestaat uit een smalle, rechte buis met drie onderdelen, namelijk het kopstuk met een lipplaat, het middenstuk met kleppen die door de vingers bewogen kunnen worden en het voetje als extraatje om nog lagere noten te kunnen spelen. Hij wordt bij het spelen dwars naar rechts gehouden. De dwarsfluit heeft een toonomvang (ambitus) van meer dan 3 octaven. De klank in de dwarsfluit wordt gevormd door luchtsplitsing. De lucht wordt gespleten door de rand van het gaatje in het kopstuk. Het stemmen van dit instrument gebeurt door het induwen of uittrekken van het kopstuk. Als de toon te laag klinkt moet men het instrument korter maken dat de toon hoger klinkt, en omgekeerd voor als de toon te laag klinkt. Men kan ook de toon een beetje veranderen door de lipspanning aan te passen. Voor een mooie toon te krijgen moet je zorgen dat je tanden van elkaar zijn, het gaatje in je kopstuk voor niet meer dan 2/3 bedekken en mooie rechte houding aannemen. Piccolo: De piccolo of kleine fluit is de - niet geheel correcte maar wel veelgebruikte - naam voor de sopranino-dwarsfluit en wordt evenals de dwarsfluit bespeeld door dwars over het mondstuk te blazen. De oorspronkelijke Italiaanse naam luidt flauto piccolo (in modern Italiaans heet de piccolo ottavino - "octaaf(fluit)je"). De piccolo is net als de gewone dwarsfluit een C-instrument. Het is een octaverend instrument: noten voor piccolo wordt een octaaf lager genoteerd dan ze klinken. Daardoor kan de piccolo in principe met dezelfde grepen bespeeld worden als de dwarsfluit, maar klinkt dan een octaaf hoger. Alt Saxofoon: Een altsaxofoon of altsax of alto is de meest voorkomende uitvoering van de saxofoon. Het instrument staat gestemd in de toonsoort Es hoewel ook uitvoeringen in C voorkomen. De altsax is goed te herkennen aan de rechte hals (bovenste stuk waarop het mondstuk bevestigd wordt), die boven de body (de rest van het instrument tot aan de beker) abrupt naar beneden knikt. De hals van de eveneens veel gebruikte en grotere tenorsaxofoon is daarentegen welvend. De altsaxofoon wordt veel gebruikt bij jazz en funk. Vanwege de kleinere omvang in vergelijking met de tenor, klinkt de alt hoger en 'jubelender', wat de alt tot een soleerinstrument bij uitstek maakt - bijzonder geschikt voor het snelle werk (luister bijvoorbeeld naar Charlie Parker) en het maken van 'muzikale statements' (zie ook Maceo Parker, de meest gesamplede muzikant ter wereld, geen familie van Charlie Parker). Een echte altsax-klassieker is Take Five met Paul Desmond op de alt in The Dave Brubeck Quartet, net als Bird of Paradise van Charlie Parker (ook gebruikt door de cabaretier Hans Teeuwen in zijn show Dat Dan Weer Wel). Voor Nederlanders is Candy Dulfer ongetwijfeld de meest bekende altsaxsofonist(e). In de klassieke muziek wordt de altsax maar een enkele keer gebruikt, zoals in de Bolero van Ravel. In de klassieke muziek van de 20e eeuw, komt het instrument vaker voor, zie b.v. Suite voor Altsaxfoon en Gitaar. De altsax wordt beduidend meer gebruikt in het fanfareorkest en het harmonieorkest, maar is vooral vast onderdeel van de big band. Tenor Saxofoon:
De tenorsax heeft een rijke klank en wordt in harmonieorkesten, fanfareorkesten en big bands gebruikt. Het is een belangrijk instrument in de jazz. En heeft een bereik van Bes klein tot G3. Bekende merken zijn King, Selmer en Martin. Het hedendaagse tenorsaxgeluid wordt gedomineerd door de Selmer. Dat lijkt een standaard geworden. Echter zijn er saxen die een origineler geluid brengen zoals de King Zephyr, Buescher Top Hat and Cane en Martin The Martin. Trompet: De trompet is een blaasinstrument waarbij het geluid ontstaat doordat de lippen die tegen het mondstuk geplaatst worden, met de adem in trilling worden gebracht. De trompet klinkt vrij hoog en heeft een heldere doordringende toon. De afstand van het mondstuk tot aan de beker is ca. 50 cm. De lengte van de buis varieert echter per stemming. De buis is voorzien van een drietal ventielen, of in het geval van de schuiftrompet van een schuif, die de buislengte in een aantal combinaties verlengen. Hij eindigt in een trechtervormige beker, net zoals bij de meeste koperen blaasinstrumenten. De trompet heeft van oudsher een cilindrische buis die een scherpe klank ontwikkelt, en wordt daarom tot het scherpe koper gerekend. Door de eeuwen heen zijn de mondpijp (het eerste gedeelte na het mondstuk) en de beker echter steeds meer conisch geworden om het instrument makkelijker bespeelbaar te maken. Adolphe Sax heeft een hele reeks instrumenten gebouwd, de saxhoorns, die de ontwikkeling van de moderne trompet sterk hebben beïnvloed. Trombone: De trombone (in de volksmond ook wel foutief schuiftrompet genoemd) is een blaasinstrument en wordt tot het scherpe koper gerekend. Een trombone bestaat uit drie onderdelen; Een ketelvormig of V-vormig mondstuk. Dit steekt in een lange cilindrische metalen u-vormige uitschuifbare buis (de coulisse). Hierna volgt de bekersectie, die wel conisch uitloopt. Door het uitschuiven kan de bespeler de effectieve buislengte verkorten of verlengen, waarmee ook de toonhoogte verandert. Het geluid ontstaat ter plaatse van het mondstuk. Hier wordt de lucht door liptrillingen in beweging gebracht en ontstaat een staande golf in de buis. Omdat in een gegeven buislengte meerdere gehele staande golven passen, is het mogelijk bij gelijkblijvende buislengte meerdere tonen te produceren (overblazen), de zogeheten boventonen: 1 golf met lengte X (de grondtoon), 2 golven met lengte 1/2 X (eerste boventoon), 3 golven met lengte 1/3 X (tweede boventoon) enz. In de verst uitgeschoven positie is de buislengte bijna anderhalf keer zo lang als in de meest ingeschoven stand. De geproduceerde grondtoon is daarmee een verminderde kwint lager. Eénmaal overblazen - door verhogen van de lipspanning, embouchure genoemd - veroorzaakt een toon die een octaaf hoger is en dus de halve golflengte heeft. Nogmaals overblazen geeft 1/3 van de golflengte en een duodecime (octaaf plus kwint) hoger. Vanuit de verst uitgeschoven stand met de schuif is de toon een verminderde kwint verlaagd, met overblazen kan een octaaf van deze toon verkregen worden; er ontbreekt echter de reine kwart in het onderste octaaf. Met een z.g. kwartventiel kan dat 'gat' worden gedicht. Een kwartventiel schakelt een extra verlenging in waardoor de effectieve buislengte uiteindelijk bijna verdubbeld kan worden (de schuif meegerekend) en het interval een grote septiem omvat. Door de schuif in te trekken ontstaat een staande golf met een kortere golflengte en wordt de toon hoger. Van alle mogelijke schuifposities worden er doorgaans 7 gebruikt die overeen komen met 7 opeenvolgende halve tonen. Alle tussenliggende posities worden vooral gebruikt voor glissandi. Drumstel: Een drumstel (ook: drums) is een muziekinstrument of liever gezegd een aantal slagwerkinstrumenten dat door 1 persoon, een drummer, bespeeld wordt. De basisopstelling van een drumstel bestaat uit een aantal trommels en een aantal bekkens:
Het hart van een drumstel bestaat uit de bassdrum, de snaredrum en de hihat. De bassdrum wordt met een pedaal bediend en geeft de lage klanken. Onder het ondervel van de snaredrum is een matje met metalen snaren gespannen. Hierdoor maakt de snaredrum (kortweg 'snare') een fel en scherp geluid. De hihat is een door de voet beweegbare bekkenset waar de drummer met zijn stokken een ritme op slaat. De hihat kan via de voet worden geopend (de bekkens komen dan los van elkaar). Als er op de hihat wordt geslagen op het moment dat deze wordt geopend, en als daarna de hihat wordt gesloten, ontstaat er het karakteristieke 'sis-geluid' van de hihat. De vellen van alle trommels worden dusdanig gespannen, dat het geluid van iedere trom op elkaar is afgestemd. Hierbij is het niet juist om over een 'toonhoogte' te spreken, omdat trommels geen regelmatige geluidstrillingen produceren. Ze produceren juist een 'ruis' en daarom wordt er bij trommels over een 'klank' gesproken. Lees wat dit betreft ook het artikel over stemmen, punt 3 over membranofonen. De drummer bespeelt het drumstel met drumstokken of brushes/kwasten. De stokken geven een hard geluid, de brushes geven een zacht en wat 'waterig' geluid. Kenmerk van een drummer is dat hij zijn handen en voeten onafhankelijk van elkaar beweegt in een bepaald ritme. Dit natuurlijk zonder de maat te verliezen. Wat bekkens (Engels: Cymbals) betreft, bestaat er een onderscheid tussen afslagbekkens (Engels: Crash cymbals) en ritmebekkens (Engels: Ride Cymbals). Daarnaast bestaan er ook specifieke bekkens als de 'splash' (klein afslagbekken met een hoge klank) en de 'china' (een speciaal gevormd afslagbekken met een korte en robuuste klank). Sommige drummers maken gebruik van 2 bassdrums; meestal zijn deze gelijk qua diepte en omtrek. Soms gebruikt een drummer een dubbel-bassdrumpedaal. Hiermee wordt het effect van een dubbele bassdrum bereikt, zonder dat er twee bassdrums staan opgesteld. Verder gebruiken sommige drummers meerdere hihats en/of snaredrums. Het geluid van een drumstel wordt voornamelijk bepaald door de bekkens, snaredrum en bassdrum. Omdat bekkens en snaredrum makkelijk mee te nemen zijn, neemt de drummer die meestal zelf mee naar de repetitieruimte of het podium op als daar al een drumstel staat. |
| Laatst aangepast ( woensdag, 23 september 2009 20:40 ) |





